Interviews talent

Talent op #FFO

Zoals elk jaar, nodigt Filmfestival Oostende (inter)nationaal talent uit op de rode loper en verwelkomen we filmtalent van over de hele wereld.

Tijdens de 10de editie zetten we verschillende regisseurs in de spotlight, met  een focus op auteurscinema. Hiermee willen we films tonen die de persoonlijke, creatieve invloed van de regisseurs reflecteren en die zo een unieke, vaak verfrissende kijk op cinema en al zijn aspecten laten zien.

Lees hier enkele boeiende interviews Nic Balthazar, acteur Kevin Janssens en Nathalie Teirlinck

In gesprek met Nic Balthazar

“Wat als ik dat mannetje in mijn hoofd nu eens uit het raam zou kunnen zwieren?”

Vier jaar geleden schoot hij met Tot altijd de hoofdvogel af op de Ensors, dus is het niet meer dan normaal dat Nic Balthazar dit jaar het Filmfestival Oostende opent met Everybody Happy. Een film over komieken, ‘maar dan als metafoor voor ons allemaal, en de prestatiemaatschappij waarin we leven.’

Ja, er mag gelachen worden in de derde film van Nic Balthazar, die zijn carrière in de regiestoel begon met Ben X en vervolgens bevestigde met Tot altijd. ‘Maar het is geen komedie, en er zitten ook redelijk donkere stukken in.’ Meer nog: Everybody Happy noemt Balthazar zijn persoonlijkste film tot nu toe. De eerste titel die hij ooit op papier zette was: Would Somebody Please Kill Myself? ‘Maar die kon ik moeilijk nog gebruiken na een film over euthanasie.’

Moeten we ons zorgen maken, Nic?

Balthazar: Nee, maar je mag gerust mee nadenken over hoe het komt dat we in één van de welvarendste landen ter wereld wonen en er tegelijk nooit eerder zoveel mensen geweest zijn met een burn-out of depressie. We zijn zó ontzettend veeleisend voor onszelf, en daar lag ik dus een paar jaar geleden ’s nachts in een hotelkamer in Parijs mee te worstelen – toen ik de slaap maar weer eens niet kon vatten omdat ik over honderd-en-één dingen lag te piekeren. “Wat als ik dat mannetje in mijn hoofd nu eens gewoon uit het raam zou kunnen zwieren”, dacht ik toen.

Dat vraagt nu ook de protagonist uit Everybody Happy zich af – een komiek die zijn demonen niet meer de baas kan.

Balthazar: Ik heb gekozen voor een komiek omdat we ons in het debat over burn-outs vaak focussen op mensen die al in de lappenmand liggen, terwijl we misschien wel collectief, als maatschappij, op de rand van een burn-out staan. Ook de grappigste mensen, ja – degenen aan wie het totaal niet te zien is. Dat beeld van de trieste clown, dat komt ergens vandaan. Maar dat eeuwige gepieker is zeker niet het alleenrecht van komieken. Dat zit in ons allemaal, denk ik.

Trieste clown, dan moet je denken aan Peter Van den Begin?

Balthazar: Ik ken Peter al van toen ik nog theaterrecensent was en hij bij de Blauwe Maandag Compagnie schitterde. En geef toe: hoeveel Vlaamse acteurs kunnen met zoveel verve zowel een vis comica als een dramatische rol neerzetten? Nee, ik ben echt blij dat ik met Peter een film heb kunnen maken waarin die twee kwaliteiten samenkomen, en nog eens duidelijk wordt dat hij meer kan dan Frits en Freddy. Zónder op die komische rollen neer te kijken, want er is niets moeilijker dan mensen aan het lachen te brengen. Maar ik ken weinig acteurs die dát en drama zo naadloos en sterk in elkaar kunnen weven.

Barbara Sarafian misschien nog?

Balthazar: Natuurlijk! Maar die had ik nodig als tegenspeelster! (lacht) Barbara stopt een zekere getormenteerdheid in al haar rollen – ook haar komische – en dat maakt haar ontegensprekelijk zo sterk. Meer nog: Aanrijding in Moscou blijft de meest geslaagde romantische komedie die hier ooit gemaakt is en dat is grotendeels te danken aan hoe Barbara die film droeg.

Ook opmerkelijk: er zitten komieken in de film die een echte rol spelen …

Balthazar: (onderbreekt) Maar weet je wat nóg opmerkelijker is: dat er acteurs inzitten die in de huid kruipen van een komiek. Begrijp mij niet verkeerd: Jeroen Leenders, een onwaarschijnlijke stand-up comedian die nooit eerder een dramatische rol heeft gespeeld, is voor mij de revelatie van de film. Maar Peter, Barbara en ook Rik Verheye hebben zich voor deze film omgeschoold tot stand-up comedian en je mag dat evenmin onderschatten.

Met de hulp van een coach?

Balthazar: Jeroen was hun coach, ja. Maar het materiaal hebben ze zélf geschreven, zoals Peter en Jeroen ook een aanzienlijke bijdrage aan het scenariogeleverd  hebben . Je hebt goede comedyschrijvers natuurlijk, maar ik vind humor iets heel persoonlijks, en dus heb ik hen opgedragen om zelf grappen te schrijven en die ook live te brengen voor een publiek. We hebben die mensen er zelfs voor laten betalen, zodat de acteurs ook echt onder druk stonden om het publiek te doen lachen. Peter zei mij dat het al lang geleden was dat hij zijn eigen zweet nog zo had geroken – zo beangstigend vond hij dat. Het was natuurlijk dé manier om hem in zijn personage te doen kruipen, maar ik besef intussen ook dat het in feite op de rand van het sadisme was.

Maar dus zo worden Vlaamse films tegenwoordig gefinancierd: je laat de figuranten ervoor betalen?

Balthazar: (lacht) Als je in armoede moet werken, krijg je de beste ideeën.

Ben van Alboom

In gesprek met Kevin Janssens

‘Oostende is een topfilmlocatie!’

De 10de editie van Filmfestival Oostende wordt vakkundig in duisternis ondergedompeld door Kevin Janssens, die als Master van het festival zijn favoriete films noirs op de affiche heeft gezet. Meer nog: de acteur blikte zelf de reclamespot van het festival in – in pure film noir-stijl!

De fascinatie voor het legendarische misdaadgenre gaat naar eigen zeggen terug naar zijn tienerjaren, toen Janssens in een videotheek werkte en aangetrokken werd door ‘de zwart-witcovers en Rita Hayworth’. En ongetwijfeld ook door Humphrey Bogart, aan wie hij een hommage brengt met zowel de affiche als de reclamespot van het festival.

Alsof het nog niet voldoende is om in de voetsporen te treden van één van de grootste Hollywood-iconen aller tijden, kreeg de kersverse Master inmiddels nog meer goed nieuws: hij werd voor het eerst genomineerd voor een Ensor – voor zijn spraakmakende hoofdrol in D’Ardennen.

Voor de duidelijkheid: jij hebt als Master niets te zeggen over de nominaties?

Janssens: (schatert) Totaal niet! Ik heb echt pas bij de bekendmaking ervan te horen gekregen dat D’Ardennen in polepositie ligt en dat ik zelf ook voor het eerst genomineerd ben. Niets mee te maken dus, maar uiteraard wel ontzettend blij.

Voor het eerst heeft de Master ook de reclamespot van het festival geregisseerd. Jouw idee?

Janssens: In alle eerlijkheid: ik had de spots van de afgelopen edities bekeken, en ik vond die wat flauw omdat ze niets met film te maken hadden. De Master werd erin opgevoerd, maar daar hield de link met cinema op. Omdat ik film noir had gekozen als thema, stelde ik voor om gelijk ook een reclamespot in die stijl te draaien. Dat vond het festival een goed idee, maar er was totaal geen budget voor voorzien. Het scenario zat toen echter al bijna volledig in mijn hoofd, dus ik heb dan maar wat vrienden uit de sector opgebeld. Op één nacht tijd hebben we de spot hier in Oostende ingeblikt – zottenwerk!

De spot is uiteindelijk een even groot eerbetoon geworden aan de film noir als aan Oostende.

Janssens: De twee zijn absoluut evenwaardige spelers, ja. Casablanca en The Third Man zitten erin, maar ook Fort Napoleon en De Grote Post. Nee, echt: Oostende telt een hoop toplocaties!

Jouw eerste Ensor-nominatie als acteur heb je intussen op zak, voor wanneer is de eerste als regisseur?

Janssens: (lacht) Ik zou die reclamespot nu niet als mijn regiedebuut beschouwen. Regisseren is een métier. Misschien dat ik ooit de ambitie heb om eraan te beginnen, maar we zitten voorlopig al met zoveel regietalent, en in feite heb ik voor die spot niet meer gedaan dan ‘actie’ en ‘cut’ roepen. Een professionele regisseur doet nog wel iets meer dan dat.

Er is ook flink wat acteertalent, als je kijkt naar de Youngstars-selectie van Filmfestival Oostende. Is er op den duur niet teveel talent?

Janssens: (hevig) Er is nooit genoeg talent! De Vlaamse cinema, dat is op dit moment zoals de Rode Duivels: burning hot! Ja, ook in het buitenland, waar redelijk wat Vlaams talent wordt opgepikt en serieuze kansen krijgt. We moeten dat koesteren, en we mogen daar gerust ook nog altijd iets meer mee naar buiten komen, want het is wel degelijk iets om trots op te zijn. Als nu ook nog de overheid erin blijft investeren – zowel in film als in muziek, theater, fotografie – dan zijn we pas goed vertrokken. We zijn vandaag de vruchten aan het plukken van wat Michaël Roskam en Felix Van Groeningen hebben gezaaid, maar zonder nieuwe zuurstofinjectie kan het binnen een paar jaar ook weer gedaan zijn.

Toen de Ensors begonnen, leken vijf nominaties per categorie allicht te hoog gegrepen, dus het werden er drie. Maar vandaag zit je met zoveel straffe films dat drie per categorie misschien te weinig is?

Janssens: Daar ga ik niet mee akkoord. Er is gezonde concurrentie, en dat is altijd goed. Ik kan mij inbeelden dat de jury dit jaar enkele harde noten heeft moeten kraken en dat er redelijk wat discussie aan vooraf is gegaan, maar ik heb liever dat er iemand uit de boot valt die het ook echt verdient – zoals Jeroen Perceval, mijn tegenspeler in D’Ardennen – dan dat er mensen genomineerd worden omdat de jury per se aan vijf namen moet geraken. Genomineerd worden voor de Ensors, dat betekent écht iets. En we moeten dat vooral zo houden, vind ik.

Ben Van Alboom

In gesprek met Nathalie Teirlinck

“Ik heb met redelijk wat callgirls gesproken, ja. Fascinerende wereld.”

Na een indrukwekkend aantal kortfilmprijzen is Nathalie Teirlinck klaar voor het grote werk: ze sluit Filmfestival Oostende af met Le passé devant nous, een intiem portret van een callgirl die worstelt met haar moederinstinct.

Alice, de blondine in kwestie, wordt op weergaloze wijze vertolkt door Évelyne Brochu, een Canadese actrice die zich eerder liet opmerken in de BBC-serie Orphan Black. Maar aanvankelijk was het helemaal niet de bedoeling dat ze als escorte aan de slag zou gaan. ‘Ik ben gebiologeerd door de schijnbaar evidente rolpatronen die we onszelf opleggen,’ vertelt Teirlinck, ‘en de faalangst die daaruit kan volgen. Wat als een moeder emotioneel niet in staat is om voor haar kind te zorgen? Uit die vraag is het personage van Alice ontstaan.’

Waarom er dan precies een callgirl van maken?

Teirlinck: Ik zat op een bepaald moment op café met een meisje van mijn leeftijd en op het einde kwam ter sprake dat ze werkte als callgirl. Ik was verwonderd door hoe normaal ze erover deed. Nadien ben ik met nog meer escortemeisjes gaan praten, en ik merkte dat ze vaak verslaafd waren aan de rol die ze spelen bij hun klanten, dat het een manier is om hen vooral niet kwetsbaar te moeten opstellen. Dat klonk heel erg als Alice, vond ik.

Alice spreekt Frans. Ook het resultaat van jouw gesprekken met callgirls?

Teirlinck: Het resultaat van mijn zoektocht naar iemand om de film te dragen. Alice is geen personage dat je meteen sympathiek vindt, dus ik zocht iemand die in staat was om haar complexiteit weer te geven. Ik zag Évelyne in David Cronenbergs kortfilm The Nest, waarin ze een compleet irrationeel personage neerzet. Ik heb haar niet veel later ontmoet in Montréal, en toen was ik nog meer overtuigd: ik had mijn Alice gevonden. Alleen sprak ze geen Nederlands, dus hebben we gedraaid in het Frans.

Dit is jouw eerste langspeelfilm. Ga je bij de première in Oostende zelf in de zaal zitten?

Teirlinck: (denkt na) Als je een film maakt, stel je jezelf kwetsbaar op, en dan kijk je vanzelfsprekend met een bang hart uit naar de reacties van het publiek. Om daar dan tussen te gaan zitten … Och, zolang er niemand voor het scherm komt staan om live te vertalen, zal ik het wel overleven.

Què?!

Teirlinck: Dat is mij ooit overkomen op een festival in Kazachstan. Vlak voor de vertoning begint, neemt er een man plaats aan een tafel voor het scherm, en hij begint live de films te vertalen. Met één en dezelfde stem! Dat is vooral erg grappig, als jouw hoofdpersonage een elfjarig meisje is. Sindsdien ben ik erg schaars geworden met dialogen. Je weet maar nooit. (lacht)

Schrijf u in en ontvang onze nieuwsbrief