Over de taalbarrière heen: het landschap van Franstalige en Vlaamse films in België

Gisteren gingen Thomas Verkaeren (O’Brother Distribution), Arnaud de Haan (Cinéart) en Didier Lombaert (Kinepolis) met elkaar in gesprek over Franstalige en Vlaamse Belgische films aan beide zijden van de taalgrens. Het drietal had het onder andere over de selectieprocedure van Vlaamse en Franstalige films, hoe het komt dat Franstalige films het Vlaamse publiek niet makkelijk bereiken, de impact van de taalbarrière in België en hoe 2024 eruitziet voor de Belgische cinema. In samenwerking met FIFF.

Distributie ontleed

De aftrap van het gesprek begon met een uiteenzetting over hoe Franstalige en Vlaamse films hun weg vinden in België. Hoewel Cinéart en O’Brother allebei distributeurs zijn, is hun werkwijze enigszins anders. “Cinéart gaat zijn films op buitenlandse markten kopen, terwijl O’Brother als partner van vier grote Waalse productiehuizen films direct bij de producenten haalt. Dat gaat hoofdzakelijk om Franstalige films, maar niet altijd. Via die weg krijgen wij een twee derde van de 20 à 25 films die we per jaar uitbrengen,” verklaart Thomas. Arnaud pikt in: “Eén van onze missies bij Cinéart is om Belgische cinema te verdedigen. In onze selectie van Franstalige films hebben we bijvoorbeeld twee of drie keer per jaar een Franstalige Belgische film.”

Het schoentje wringt soms wanneer een Franstalige film zijn publiek probeert te vinden in Vlaanderen, en vice versa voor Vlaamse films in Wallonië.

Thomas Verkaeren

Dat er voor de distributeurs heel wat factoren meespelen bij de selectieprocedure van films, is voor niemand een verrassing. Volgens Arnaud gaat het om potentieel, de zoektocht naar kwaliteit, maar ook de relatie met de producent. Thomas beaamt dit: “Het potentieel is natuurlijk het belangrijkste, want een film uitbrengen is een grote kost, zeker als zelfstandige. We moeten voor elke film zorgen dat die op één of andere manier rendabel wordt. Uiteraard is het ook zo dat een film zijn plaats moet gaan zoeken bij het publiek. Het schoentje wringt soms wanneer een Franstalige film zijn publiek probeert te vinden in Vlaanderen, en vice versa voor Vlaamse films in Wallonië.”

Franstalige films in Vlaanderen

Wat maakt dan dat een Franstalige film zijn weg vindt bij het Vlaamse publiek? Volgens Didier is één van de kernwoorden hier ‘aandacht’. Zo kan de aanwezigheid op internationale festivals een belangrijke rol spelen (denk aan ‘Anatomie d’une chute’, die in 2023 de Gouden Palm won in Cannes). Arnaud stemt hiermee in, en voegt eraan toe dat dit eveneens geldt voor de bekendheid van de regisseur - namen zoals Céline Sciamma en François Ozon vallen. De participatie van een Franstalige acteur die in Vlaanderen bekend is, draagt hier ongetwijfeld ook aan bij: Omar Sy (‘Les Intouchables’) is daar een goed voorbeeld van. Didier verwijst naar de oorlogsfilm ‘Tirailleurs’, die in Kinepolis geprogrammeerd werd. Verder mag het enthousiasme van de Vlaamse pers niet onderschat worden: “Als de pers in Vlaanderen enthousiast is en over de film schrijft, zal die ook in Vlaanderen een grotere kans hebben.”

Als de pers in Vlaanderen enthousiast is en over de film schrijft, zal die ook in Vlaanderen een grotere kans hebben.

Didier Lombaert
Didier Lombaert

Wat zeggen de cijfers over Franstalige films in Vlaanderen? Van de 450 in Frankrijk geproduceerde films zouden er maar 200 in België verschijnen. Daarvan komen er in de Vlaamse zalen maar maximum 20 uit. Omgekeerd, bij de Vlaamse films in Wallonië, zijn er volgens Didier minder dan een handvol die het over de taalgrens schoppen. Hij verklaart: “In Vlaanderen kijken we films in de originele versie. In Wallonië worden films in het Frans gedubd, voor hen is het een veel grotere stap om een Vlaamse film met ondertitels te zien. Het is natuurlijk anders bij een Vlaamse film waar Frans gesproken wordt, zoals ‘Close’. Dat maakt het toegankelijker voor deze markt.”

Taalbarrière

Het is geen geheim dat België al decennialang een taalbarrière kent, waar onderwijs een belangrijke rol in speelt. Zowel Thomas als Arnaud verwijzen naar de talenkennis op de Belgische scholen, maar ook filmeducatie op scholen wordt vermeld. Er zijn dan wel organisaties zoals JEF die de filmkennis van jongeren verbreden, maar Thomas vindt dat er op school toch nog in te beperkte mate met film aan de slag wordt gegaan. Hij maakt hier een kanttekening bij: “Als jongeren op school niet wordt aangeleerd hoe ze naar een langspeelfilm moeten kijken en hoe ze die moeten analyseren, zullen ze dat ook nooit spontaan doen. Film kijken is soms meer dan enkel entertainment. Er mag een extra effort worden gedaan.” De taalbarrière kan mede doorbroken worden door ondertiteling, maar hoe zit het daarmee bij de distributeurs? Wanneer O’Brother een film uitbrengt, kan er zo’n 10% van het budget naar de ondertiteling gaan. In het grotere kostenplaatje is dat niet veel, maar als er maar beperkte interesse is bij het publiek is het natuurlijk niet zo interessant. Arnaud vertelt op zijn beurt dat een Franstalige film bij Cinéart bijna altijd ondertiteld wordt, onder meer vanwege Brussel en haar tweetaligheid. Dat brengt een bepaalde kost met zich mee, maar hij merkt op dat de ondertiteling ook gebruikt kan worden voor de tv-carrière van de film daarna.

Film kijken is soms meer dan enkel entertainment. Er mag een extra effort worden gedaan.

Thomas Verkaeren

Ook Didier vindt dat Brussel een uniek geval is. Hij haalt het voorbeeld aan van Turkse films die in Kinepolis Brussel geprogrammeerd worden: “We ondertitelen die meestal in het Frans omdat we ervan uitgaan dat de meeste mensen Frans spreken in Brussel. Maar wanneer de Franse ondertitels niet beschikbaar zijn, ondertitelen we de film in het Nederlands - wat geen enkel probleem vormt. Ik denk dat scholing en opleiding een belangrijke rol spelen in deze filmcultuur, en dat Brussel daar nog anders in is dan Wallonië, vooral omwille van het Nederlandstalige onderwijs.”

Het taalverschil toont zich ook in het Belgische filmbeleid: er is zowel een Vlaams als een Franstalig beleid met andere doelstellingen en een ander publiek. Dat er toch enige samenwerking is tussen beide taalgebieden, is te zien aan het akkoord tussen het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds, red.) en het CCA (Centre du Cinéma et du l’Audiovisuel, red.), die elk vijf films van het andere taalgebied ondersteunen. Zo is er volgens Thomas een inmenging van beide culturen in de Belgische filmwereld, maar is verbetering zeker nog mogelijk: “In Vlaanderen zijn we geneigd een eigen vijver aan te leggen, waar we met BV’s een hele reeks producties kunnen maken en successen kunnen halen, terwijl het Waalse publiek vooral naar Frankrijk kijkt voor films.” De drie gasten zien ruimte voor initiatieven aan beide zijden van de taalgrens.

Belgische cinema in 2024

Dan rest enkel nog de volgende vraag om mee af te sluiten: “Waar kunnen de Belgische cinefielen zich in 2024 aan verwachten?” O’Brother brengt dit jaar ‘Quitter la Nuit’ uit, een Franstalige Belgische film met Veerle Baetens in de hoofdrol, waarvoor de verwachtingen hoog liggen. Ook brengt de distributeur ‘Boléro’ uit, over het leven van de Franse componist Maurice Ravel. Cinéart pakt op zijn beurt uit met ‘Holy Rosita’, een Vlaamse Belgische film die hopelijk ook in Wallonië kan scoren. Wordt ongetwijfeld vervolgd!

FIFF

In samenwerking met Festival International du Film Francophone de Namur.

Redactie
Alexia Bruijlants